Dank U en tot ziens

Gepubliceerd op 13 november 2019 17:20

Mijn ouders hadden vroeger een winkel.  Met drie dochters sprongen we regelmatig in, uiteraard met de nodige instructies.

Geen ‘dag en bedankt’, maar ‘dank U en tot ziens’.

Dit werd er behoorlijk ingepeperd.  In die mate dat ik het nu ook niet kan laten om – met witte stok – op die manier afscheid te nemen.  In het begin wou ik nog snel terugkeren om iets anders te zeggen, maar dat zou helemaal onnozel zijn.

Ik doe soms uitspraken die bij mensen als vreemd worden ervaren.   Misschien niet enkel in deze context.  Maar toch.

Ik nodigde onlangs een vriend uit voor een gesprek.  Hij kwam binnen en vroeg me waarom.  Ik zei “omdat ik je al zo lang niet meer gezien heb”.  Het klopte theoretisch gezien wel.

En zo kan ik intussen een boekje vullen met uitspraken waarbij ik het voorhoofd van mijn gesprekspartner bijna hoor fronsen.  Ik doe het niet opzettelijk, maar een andere beperking die ik al sinds mijn jeugd meedraag is  – naast krullende tenen krijgen van dt-fouten – het veelvuldig gebruik van spreekwoorden en beeldspraak.    Het is dus de schuld van de papa.

“Ik heb bekeken wat de mogelijkheden zijn”, “ik typ heel snel blind”, “ik keek mijn ogen uit”.

Ik kan nog even doorgaan: “ik zag mijn kans schoon”, “die ziet door het bos de bomen niet meer”, of "dat steekt de ogen uit”.  Of “we mogen ons daar niet op blind staren”.  Iemand was onlangs direct akkoord toen ik zei dat we het eens "door de bril van de ander moeten zien".  Ik wil het best eens proberen.  

Maar gezelschap kan er gelukkig ook wat van.  Met twee is altijd leuker dan alleen.  Ik bestelde onlangs tickets voor een concert, en deed dit telefonisch, om ter plaatse assistentie te verkrijgen.  Ik legde mijn situatie uit.  De operator was heel vriendelijk.  “Die tickets op die tribune zijn makkelijk toegankelijk én daar heb je ook nog een mooi zicht”.   Ik bedankte hem hartelijk. En keek er al naar uit.

Onlangs nog een dame die in de winkel advies vroeg over fijn breigaren.    Of een vriendin die me vroeg of ik die knappe man had gezien.  
Andere toppers van anderen: “ik zie je snel”.  “Zit je liever hier, dan heb je de zon niet in je ogen”.  In de auto: “Zie jij of het nog rood is”?

Het moeten niet altijd woorden zijn.  Onlangs ging ik stofzuigen.  Ik bekijk stofzuigen als kansberekening.  Ik doe het als een robotstofzuiger.  iRan Roomba.  Een beetje over en weer, en als er stof uit het bakje komt bij het leegmaken heb ik een buit.  De kans dat ik iets mis is redelijk, maar dat gaat de volgende keer wel mee.  Als iemand dan het licht aandoet (“zo zie je het misschien beter”) wordt zelfs stofzuigen humor.

Als ik op restaurant zit en de menukaarten worden uitgedeeld begint mijn gezelschap soms ook wat zenuwachtig heen en weer te wiebelen.  Diegenen die me kennen weten dat ik vooraf al via de online menu’s op internet mijn keuze heb gemaakt én wat dus de reden is van mijn kwijlende blik. 

Heerlijk, die stilte die dan even duurt.  Om dan mijn gezelschap gerust te stellen en als eerste te bestellen.

Toen iemand zei dat ze niet kon ‘slowen’ op haar huwelijksfeest, zei een ander: “niet erg, uiteindelijk kan je op één tegel plakken, als je de liefde in hun ogen ziet is het al genoeg”. 
Gelukkig ben ik al getrouwd.  En mijn andere zintuigen compenseren.


«   »